De stelling dat IT-incubators uit de jaren negentig een mislukking waren, berust op een forse onderschatting van de tijd die nodig is om een IT-innovatie in de markt te doen postvatten. IT-incubatieprogramma’s zoals Twintig en Newconomy zijn, anders dan algemeen aangenomen, achteraf bezien wel degelijk productief geweest.
Het oordeel dat de investeringen in bedrijvenbroedplaatsten in de jaren negentig weggegooid geld zijn geweest, is te snel geveld. De effectiviteit van dergelijke initiatieven is pas goed te beoordelen na verloop van omstreeks tien jaar. Dat zeggen Alex Hendrikse en Wijnand Houweling in hun masterthesis ‘Lange termijn effecten van incubatieprogramma’s’, waarmee zij deze week afstudeerden aan de Erasmus Universiteit.
Hendrikse en Houweling onderzochten het broedsel van Twinning en Newconomy en stelden vast dat meerdere winstgevende bedrijven zijn ontstaan die internationaal een rol spelen. Anno 2010 bleken 21 van de 30 door Twinning gekoesterde bedrijven nog steeds actief. Uit het 25 ‘kuikens’ tellend broedsel van Newconomy vonden de onderzoekers nog 13 overlevenden terug.
Naast bedrijven die het uiteindelijk toch hebben gemaakt, wijzen de onderzoekers op neveneffecten zoals ontwikkeling van startergerichte competenties bij dienstverlenende partijen, waaronder banken en advocaten.
De Nederlandse IT-incubators Twinning en Newconomy zijn in het verleden enkel na korte periode geëvalueerd. Deze korte-termijnevaluaties door KPMG Nolan & Norton en Booz Allen Hamilton leidden indertijd tot de conclusie dat de IT-incubatieprogramma’s niet het beoogde resultaat hadden opgeleverd. Maar die gevolgtrekking blijkt volgens de Rotterdamse afstudeerders nu dus voorbarig te zijn geweest. Dat evaluatie van hightech incubatie pas zinvol is na een langere periode, is volgens de afstudeerders inherent aan research & development, waarvan de uitkomsten nu eenmaal tijd nodig hebben.
De voormalig directeur van Twinning, Michiel Westermann, onderschrijft de analyse van beide afstudeerders: “Het was voor ons van tevoren volkomen duidelijk dat je aan iets begon dat vijf of tien jaar nodig zou hebben. Het was dan ook te zot voor woorden dat men na twee, drie jaar resultaat wilde zien. Inmiddels is duidelijk dat het succes overweldigend is; meer dan de helft van de initiatieven heeft overleefd, terwijl in het algemeen voor incubators een overlevingsratio van een op tien als vuistregel wordt gehanteerd.”
Naast het directe succes in de vorm van starters die het uiteindelijk hebben gered, roemt Westermann het effect dat Twinning had op de ‘mind set’: “Vrijwel direct na de start van Twinning stortten tal van anderen zich met risicogeld op IT-starters.” De commerciële concurrentie nam zelfs zodanige hypeachtige vormen aan dat het al in het tweede jaar voor Twinning duidelijk lastig werd om nog geschikte kanshebbers – starters die ver genoeg zijn, maar toch ook nog hulp nodig hebben – te identificeren.
Een ander probleem was dat Twinning zijn middelen steeds moest verdelen over enerzijds participaties en anderzijds andere incubatortaken zoals huisvesting, facilitaire zaken en advies. Met dat laatste was volgens de huidige directeur, Roland Slot, relatief veel geld gemoeid dat beter had kunnen worden besteed aan vervolginvesteringen. Vervolginvesteringen zijn juist nodig wanneer een starter technologisch slaagt en behoefte krijgt aan professionele marketing en sales. Doordat andere partijen in het ‘gat’ sprongen, verwaterde het belang van Twinning vaak nodeloos, waardoor het overall rendement ook achterbleef. Twinning was bijvoorbeeld een van de eerste investeerders in de uiterst succesvolle online betalingsdienstverlener Bibit, maar toen deze werd verkocht aan de Royal Bank of Scotland was het oorspronkelijke belang verwaterd tot 4 procent.
Een van de toenmalige starters is tegenwoordig fondsbeheerder en mede-eigenaar bij ICT Venture, een commerciële investeerder die in veel opzichten vergelijkbaar is met het Twinning rond de eeuwwende. Naar het oordeel van Heimans adresseerde Twinning indertijd een probleem dat er op dat moment eigenlijk al niet meer was: “Natuurlijk had het wel succes, maar het was niet zo dat zij toen de enige optie waren. Ik was toen zelf met een start-up bezig [Moniforce] en heb toen ook met Twinning gesproken. Maar er waren ook andere mogelijkheden. (...) Om bij Twinning terecht te komen, moest je al iets hebben; een bewezen concept, liefst ook een eerste klant. Het grote probleem voor veel starters was, en is volgens mij nog steeds, dat punt te bereiken.”
Deze analyse sluit goed aan op Westermanns eigen ‘lesson learned’: “Twinning was te zeer kostengericht; waar starters veruit het meeste behoefte aan hebben, is een eerste klant. Veel huidige initiatieven zitten om die reden dichter tegen grote bedrijven aan. Je hebt dan zogeheten corporate incubators. Innoveren is voor dergelijke bedrijven vaak lastig. Om toch in nieuwe ontwikkelingen te participeren, zetten ze het apart. In ruil voor hun financiële inbreng en bemiddeling met potentiële klanten claimen ze vooraf het recht om als eerste over te nemen (‘right of first refusal’). Het mooiste vind ik constructies waarbij meerdere grote bedrijven hun incubatoractviteiten poolen in wat je een multi-corporate incubator zou kunnen noemen.”
Twinning-historie
- nazomer 1998: Oprichting Twinning door toenmalig minister van Economische Zaken Hans Wijers en Roel Pieper. EZ stelt bijna 41 miljoen euro beschikbaar, het Europees Investerings Fonds 10 miljoen euro, private financiers 6,8 miljoen euro en de Nationale Investeringsbank 2,7 miljoen euro.
- oktober 1998: Eerste Twinning Center opent zijn deuren op het Science Park in Amsterdam.
- februari 1999 - juni 2000: Twinning opent nevenvestigingen in Eindhoven, Twente en Delft-Rotterdam.
- november 2000: Ministerie van EZ zet Twinning in de etalage. Voor eind 2001 moet de incubator geprivatiseerd zijn.
- december 2001: Twinning blijkt onverkoopbaar. De incubator krijgt 11,2 miljoen euro van EZ voor de komende twee jaar. Het blijft de bedoeling dat de overheid op termijn terugtreedt.
- oktober 2003: Economische zaken vraagt Sienna (een dochter van PON Holdings) om het beheer van Twinning, met op dat moment nog zo’n vijftien tot twintig deelnemingen van wisselde omvang, over te nemen. Opdracht is uiterlijk in 2010 (2008 met twee jaar uitlooptijd) te komen tot rendabele exits. Voor dekking van beheerkosten en voor het doen van noodzakelijke vervolginvesteringen claimt Sienna beschikbaarheid van 1 miljoen euro op jaarbasis. Van die reservering wordt uiteindelijk geen gebruik gemaakt; exits SEnD zoals die uit BiBit SEnD leverden ruimschoots voldoende op om de ‘lopende kosten’ van de Twinning-portefeuille te dekken.
- zomer 2004: Het ministerie van Financiën neemt het eigendom van Twinning, dat inmiddels niet langer een stimuleringsopdracht dient, over van Economische Zaken. De waarde van de portefeuille wordt op dat moment geraamd op 7,1 miljoen, waarvan 1,6 miljoen (sic.) winst over het afgelopen jaar.
- zomer 2010: Dit jaar eindigt de door de overheid aan Sienna meegegeven termijn voor het volledig afstoten van de deelnemingen. Niettemin beheert Twinning nog altijd negen participaties van wisselende omvang.
Het betreft hightechbedrijven als Xsense (technische bewegingssensoren), Siennax (SaaS-platformtechnologie), Motek (menselijke bewegingsregistratie), Irion (spraaktechnologie) en Eonic (signaalconversie).
Naast deze actieve participaties beheert Twinning (waarschijnlijk) ook nog een aanzienlijk (?) passief vermogen uit de opbrengsten van circa tien exits sinds 2003, verminderd met de lopende beheerkosten.